Branche Vereniging Organische Reststoffen

bvor

Nutriëntenaanvoer in de Kleine Kringloop zorgt voor risico op overbemesting

Geplaatst op 30 november 2017

Wanneer berm- en slootmaaisel binnen de Kleine Kringloop wordt toegepast, brengt dat aanzienlijke hoeveelheden stikstof en fosfaat mee van buiten het landbouwbedrijf. De kans op uitspoeling van deze nutriënten naar grond- en oppervlaktewater is groot wanneer ze niet meetellen in de meststoffenboekhouding. Dit is een van de conclusies van recent onderzoek van het NMI.

Sinds 2005 bestaat de Vrijstellingsregeling plantenresten, ook wel aangeduid als de Kleine Kringloop. Binnen de Vrijstellingsregeling mogen plantenresten zoals slootmaaisel en bermgras rechtstreeks op of in de bodem worden gebracht in de nabijheid van het perceel waar ze zijn vrijgekomen. Voor de Kleine Kringloop bestaat veel belangstelling van met name terreinbeheerders. Het is een goedkope manier om reststromen af te zetten, terwijl het bijdraagt aan het sluiten van lokale organische stofkringlopen.

De BVOR constateert dat een aantal risico’s van de Kleine Kringloop onvoldoende bekend is bij terreinbeheerders en andere betrokkenen. Dit betreft bijvoorbeeld de verspreiding van onkruidzaden en invasieve exoten zoals de Japanse duizendknoop die kan optreden wanneer maaisel zonder hygiënisatiestap rechtstreeks wordt toegepast. Een ander aspect betreft de bovengenoemde nutriëntenaanvoer die plaatsvindt met maaisels.

De BVOR heeft het NMI in kaart laten brengen welke nutriëntenaanvoer plaatsvindt bij toepassing van gebruikelijke hoeveelheden sloot- en bermmaaisels. Bij toepassing van enkele tientallen kuub maaisel per hectare worden stikstof- en fosfaatnormen voor een aanzienlijk deel ingevuld en kunnen zelfs worden overschreden. Omdat deze nutriënten niet worden meegerekend in de meststoffenboekhouding dragen ze volledig bij aan het N- en P-overschot op de bodembalans (ervan uitgaand dat de gewassen worden bemest volgens de gebruiksnormen) en dus ook aan de nitraatuitspoeling.

Het NMI concludeert dat het goed zou zijn berm- en slootmaaisel te beschouwen als een organische meststof en ook als zodanig te behandelen. Dit betekent dat het maaisel een plaats dient te krijgen in de meststoffenboekhouding en dat het volume/massa en de samenstelling van het materiaal dat wordt aangevoerd naar landbouwpercelen bekend dient te zijn. Ten behoeve van de samenstelling van het materiaal zou gewerkt kunnen worden met forfaitaire waarden.

De BVOR hoopt dat het NMI-onderzoek bijdraagt aan meer inzicht in de bijdrage van maaisels aan de organische stof- én aan de nutriëntenvoorziening van de landbouw. Dit zou uiteindelijk moeten leiden tot een Vrijstellingsregeling waarin maaisels als organische meststof worden behandeld, terwijl tegelijkertijd mogelijkheden voor lokale sluiting van organische stofkringlopen blijven bestaan.

Download:

banners

ledeninlog