Uitspraak in vier Friese zaken: bermmaaisel dat gemeenten laten composteren is een afvalstof
De Rechtbank Noord-Nederland heeft op 23 oktober 2026 uitspraak gedaan in vier zaken over het composteren van bermmaaisel bij agrariërs in Friesland. De rechtbank oordeelt dat bermmaaisel dat gemeenten na bermonderhoud laten composteren, een afvalstof is. Daarmee is duidelijk welk wettelijk kader van toepassing is. De Branchevereniging Organische Reststoffen (BVOR), die de zaken aan de rechter had voorgelegd, ziet de uitspraak als een belangrijke bevestiging: lokale overheden, professionele verwerkers en andere ketenpartners weten nu waar zij aan toe zijn en kunnen gericht werken aan een veilige, hoogwaardige en verantwoorde verwerking van groene reststromen.
De zaken gingen over de werkwijze binnen het project van Agricycling Fryslân, waarin agrariërs bermmaaisel van gemeenten composteren en de compost op hun land toepassen. De Friese gemeenten Waadhoeke, Leeuwarden, Súdwest-Fryslân en De Fryske Marren gingen ervan uit dat het hierbij gaat om voortgezet gebruik van het maaisel en niet om een afvalstof. De BVOR heeft de gemeenten in december 2023 gevraagd om handhavend op te treden en heeft, nadat die verzoeken waren afgewezen, de rechter om een oordeel gevraagd. Doel was helderheid over de vraag welke regels gelden.
Wat de rechtbank oordeelt
De rechtbank toetst aan de wettelijke definitie van een afvalstof en de Europese rechtspraak daarover. Bepalend is of de houder zich van het materiaal ontdoet. Bermmaaisel komt vrij bij onderhoud van bermen en wordt niet met een bepaald doel geproduceerd. De gemeenten betalen om zich ervan te ontdoen. Volgens de rechtbank is ‘voortgezet gebruik’ geen begrip uit de wet of de rechtspraak. Ook als de beleidscriteria voor voortgezet gebruik zouden worden toegepast, leidt dat niet tot een ander oordeel, omdat het maaisel wordt omgezet in een ander materiaal: compost. Composteren geldt in de Europese regelgeving juist als nuttige toepassing van afvalstoffen.
Duidelijkheid voor de hele keten
Sanne Kaasjager, directeur BVOR: “Deze uitspraak geeft duidelijkheid over de regels en daar heeft iedereen in de keten baat bij: gemeenten, agrariërs en verwerkers. Bij elk werkbezoek zie ik hoeveel onze leden, klein en groot, investeren in de kwaliteit en veiligheid van hun proces en product. Het is belangrijk dat iedereen die groene reststromen verwerkt, volgens dezelfde spelregels werkt. Dat geeft stabiliteit voor investeringen en zekerheid voor wie kwaliteitscompost wil gebruiken.”
Voor de BVOR is een gelijk speelveld daarbij essentieel: dezelfde regels voor vergelijkbare activiteiten, op dezelfde wijze toegepast en gehandhaafd. De uitspraak helpt ook voorkomen dat groene reststromen onder de radar verdwijnen, juist nu monitoring steeds belangrijker wordt voor een gezonde bodem en een goede kwaliteit grond- en oppervlaktewater.
“De wens om groene reststromen lokaal te benutten en de bodem te verbeteren, delen wij van harte”, aldus Kaasjager. “Onze leden hebben decennialang kennis van zaken opgebouwd en leveren een professionele bijdrage aan een volwassen, verantwoordelijke circulaire sector. We gaan graag met gemeenten en ketenpartners in gesprek over hoe we dat, binnen de regels, verder kunnen ontwikkelen. Onze leden werken juist graag lokaal en staan open voor samenwerking.”
BVOR-bedrijven verwerken al ruim 35 jaar groene reststromen – bijna vier miljoen ton per jaar – tot compost en bodemverbeteraars, dicht bij de bron en in hun eigen regio. De BVOR ziet gemeenten en agrariërs daarbij als belangrijke ketenpartners. Lokale verwerking kan een waardevolle bijdrage leveren aan een gezonde bodem en het realiseren van een meer circulaire economie, mits spelregels, kwaliteit en veiligheid aantoonbaar zijn geborgd. De uitspraak van de Rechtbank Noord-Nederland bevestigt dat nog eens.
